Zorgplicht bank tegenover derden

afbeelding van Jaap Penders

In mijn artikelen van 3 mei en 10 juni 2013 heb ik de zorgplicht van een bank tegenover haar cliënten besproken. In dit artikel zal ik aan de hand van enkele uitspraken de zorgplicht van een bank tegenover derden bespreken.

De maatschappelijke functie van een bank brengt mee dat op een bank een maatschappelijke zorgvuldigheid rust die mee kan brengen dat een bank zich de belangen van derden aan moet trekken. Indien de bank deze zorgvuldigheid niet in acht neemt, dan handelt zij onrechtmatig tegenover die derden. In dat kader bespreek ik eerst twee belangrijke arresten van de Hoge Raad.

In het MeesPierson/Ten Bos arrest1 werd het vermogen van twee minderjarige kinderen door de gevolmachtigde van de moeder via een beleggingsrekening bij Mees Pierson op speculatieve wijze in de waagschaal gelegd. De bank werd verweten dat zij hen (of hun moeder) hadden moeten waarschuwen voor de risico’s verbonden aan de speculatieve beleggingswijze van de gevolmachtigde. In dit arrest werd bepaald dat de bank, mede gelet op het kenbare vermogensbelang van de kinderen, zich deze belangen had moeten aantrekken.

In het Safe Haven arrest2 hadden beleggers gelden gestort op een bankrekening die Safe Haven B.V. aanhield bij Fortis Bank. Safe Haven had een deel van deze gelden belegd in opties en futures, wat had geleid tot verlies. Save Haven beschikte niet over de wettelijke vereiste vergunning daarvoor. De beleggers verweten Fortis Bank dat zij in strijd met haar maatschappelijke zorgvuldigheid had gehandeld doordat zij geen onderzoek had gedaan of Save Haven wel over de vereiste vergunningen beschikte. De Hoge Raad oordeelde dat Fortis op grond van haar maatschappelijke functie zich de vermogensbelangen van derden (de beleggers) had moeten aantrekken.

In een recent arrest van het Hof Amsterdam3 had een bank meegewerkt aan het opzetten van een trust structuur, waarbij een beleggingsrekening diende tot het beheer van het vermogen van de erflater. De bank had als beheerder van deze beleggingsrekening ongebruikelijke en afwijkende betalingsopdrachten in opdracht van de heer X uitgevoerd. De erflater van de trust eiste van de bank terugbetaling van de ongeoorloofde betalingen, omdat de bank onderzoek had moeten doen of de betalingen bevoegd waren verricht.
Het Hof oordeelde dat de bank wist dat de beleggingsrekening diende tot het beheer van het vermogen van de erflater en niet van het vermogen van X. Het Hof oordeelde verder dat de bank bij het beheer van een beleggingsrekening van een trust tegenover de erflater een bijzondere zorgplicht heeft, omdat de erflater economisch als een cliënt van de bank kon worden beschouwd. De bank had haar zorgplicht geschonden door betalingen die geen verband hielden met het beheer van het vermogen uit te voeren, zonder daarover bij X navraag te doen. Daarbij had de bank de betalingsopdrachten moeten blokkeren totdat zij een bevredigend antwoord van X had ontvangen.

De rechtbank Rotterdam4 oordeelde in twee uitspraken dat een bank haar zorgplicht tegenover derden had geschonden door betaalrekeningen aan haar cliënt (tennissponsor R. van der Berg) ter beschikking te blijven stellen via welke rekeningen de zogenaamde Ponzi-fraude liep. De rechtbank oordeelde dat op enig moment sprake was van een onderzoeksplicht gezien het ongebruikelijke betalingsverkeer, de aard en de omvang van de transacties en de particuliere rekeninghouder.

De conclusie op basis van de genoemde jurisprudentie is dat een bank onder omstandigheden een bijzondere zorgplicht heeft tegenover derden. Daarvan zal sprake zijn indien de bank op basis van bijzondere omstandigheden moet beseffen dat haar cliënt ongebruikelijke activiteiten en/of transacties verricht. Vooral indien deze activiteiten strijdig zijn met financiële toezichtswetten rust op de bank een onderzoeksplicht en/of waarschuwingsplicht tegenover derden. Tevens zal de zorgplicht er toe kunnen leiden dat de bank deze ongebruikelijke transacties moet weigeren.
 

1Hoge Raad d.d. 9 januari 1998, NJ 1999, 288.
2Hoge Raad d.d. 23 december2005, LJN: AU3713.
3Hof Amsterdam d.d. 4 juni 2013, LJN: CA3896.
4Rechtbank Rotterdam d.d. 13 juli 2011, LJN: BR1592 en 27 juni 2012, LJN: BX1237.


Jaap Penders is eigenaar van Penders Advocatuur (www.pendersadvocatuur.nl). Deze column is geschreven op persoonlijke titel. De column heeft een educatief doel. De daarin verstrekte informatie kan niet worden beschouwd als een juridisch advies in welke vorm dan ook. Hoewel de informatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, wordt geen garantie gegeven voor de juistheid en volledigheid van de informatie. Columnist heeft geen zeggenschap over de website van BeursEffecten. Columnist is niet aansprakelijk voor welke schade dan ook, direct of indirect, die op enige wijze ontstaat door en/of voortvloeit uit het gebruik van de column en (de informatie op) voornoemde website.


Ook interessant: