Vermogensbeheer blijft mensenwerk

afbeelding van Jaap Penders

Een vermogensbeheerder is verplicht informatie in te winnen over de financiële positie, beleggingsdoelstellingen, risicobereidheid en kennis en ervaring van zijn cliënt. Daarbij moet de vermogensbeheerder de portefeuille zodanig inrichten dat deze past bij het cliëntprofiel, in het bijzonder bij de beleggingsdoelstelling en risicobereidheid van de cliënt. Dit is bekend. Waarom gaat het dan toch soms fout? In de onderstaande zaak is het antwoord: mensenwerk. Hieronder bespreek ik deze uitspraak van de geschillencommissie van het KiFiD.1
 

Het cliëntprofiel

Uit het in 2003 opgemaakte cliëntprofiel bleek dat de beleggingsdoelstelling van de cliënt hoofdzakelijk gericht was op het genereren van inkomen. Verder vond de cliënt in een slecht beleggingsjaar maximaal 5% waardedaling van het vermogen acceptabel. Hij wenste een laag risico en een gemiddeld resultaat. Hij streefde naar een rendement van gemiddeld 5 tot 6% per jaar. De portefeuille was in de eerste vijf jaar gestegen, maar begon vanaf de tweede helft van 2007 te dalen. Op 31 december 2007 waren de aandelen € 172.000 waard en de vastrentende waarden € 353.000. De vastrentende waarden bestonden grotendeels uit bedrijfsobligaties, perpetuals en floaters.
 

Het telefonisch onderhoud

Op 22 januari 2008 nam de consument telefonisch contact op met zijn vermogensbeheerder. Hij gaf aan dat hij de markt niet vertrouwde en dat hij rekende op een dalende markt. Hij wilde de helft van zijn aandelen verkopen. Dit zou leiden tot aanpassing van de portefeuille, waarmee met het restant vermogen dan conform het profiel wederom in aandelen zou worden belegd. Daarom is in overleg met de cliënt afgesproken om voor 100% in obligaties te beleggen. In verband daarmee werd het risicoprofiel gewijzigd van profiel 2 met een asset allocatie van 15-35% in aandelen en 65-85% vastrentende waarden naar profiel 1 met een asset allocatie van 0 tot 10% in aandelen en 90 tot 100% obligaties. Op 23 januari 2008 werd dit schriftelijk vastgelegd door wijziging van de vermogensbeheerovereenkomst.

Op 25 januari 2008 belde de cliënt dat hij € 40.000 nodig had voor verbouwing van zijn huis. Verder vroeg hij naar de daling van de portefeuille van profiel 1 de afgelopen maand. Dit was 7% en vergelijkbaar met het rendement op de portefeuille van profiel 2. Ook over de profielwijziging werd gesproken. Hij voelde zich goed met weging van 20% aandelen, maar zag dit in afgelopen jaren wel eens hoger uitvallen en voelde zich daarbij niet goed. Daarop legde de vermogensbeheerder uit dat bij profiel 2 de aandelenweging kon oplopen tot 35% en dat het beter was om profiel 1 te nemen. De cliënt was daarmee andermaal akkoord. Op 8 oktober 2008 belde de cliënt om de obligaties voor de helft in staatsobligaties om te wisselen of certificaten van de Postbank te kopen. Aan het eind van het telefoongesprek gaf hij aan hier nog over na te denken. De cliënt kwam daar niet meer op terug. Op 11 maart 2009 klaagde de cliënt over het gevoerde beheer en op 28 april 2009 gaf hij opdracht zijn portefeuille te verkopen.
 

De klacht

De cliënt klaagde onder meer dat de vermogensbeheerder onvoldoende informatie heeft ingewonnen over zijn gewijzigde risicobereidheid en beleggingsdoelstellingen. Daarbij zou de vermogensbeheerder hebben verzuimd het vastrentende deel van de portefeuille defensiever in te richten. De vermogensbeheerder had zijn portefeuille conform zijn verminderde risicobereidheid moeten inrichten. De vermogensbeheerder verweerde zich door te stellen dat de gewenste veranderingen zijn doorgevoerd en vastgelegd. Daarbij was er geen aanleiding voor wijziging van het cliëntprofiel.
 

Het oordeel van de geschillencommissie KiFiD

De geschillencommissie verwierp het verweer van de vermogensbeheerder. Zij oordeelde dat uit de telefoongesprekken blijkt dat gesproken is over een wezenlijke wijziging van het beheer en een gewijzigd risicoprofiel. Volgens de commissie was dit een wezenlijke verandering voor de portefeuille, omdat deze wijziging gevolgen kon hebben voor het nagestreefde rendement. Daarbij had de cliënt een beperkte risicobereidheid. Bovendien achtte de commissie van belang dat de vastrentende waarden voor een aanzienlijk deel uit perpetuals en floaters bestonden, zodat de portefeuille niet noodzakelijkerwijs defensiever zou worden door vergroting van het aandeel van vastrentende waarden in de portefeuille. De commissie oordeelde dat, gezien de wezenlijke verandering in de portefeuille, de vermogensbeheerder informatie had moeten inwinnen over de gewijzigde risicobereidheid en beleggingsdoelstellingen van haar cliënt.

De vraag die de commissie daarna moest beantwoorden was of een nieuw cliëntprofiel ertoe zou hebben geleid dat de portefeuille wezenlijk defensiever zou zijn ingericht. Met andere woorden is er causaal verband tussen de toerekenbare tekortkoming en de schade? De commissie oordeelde dat dit het geval was. Zij verwees daarvoor naar de risicoacceptatie en de opmerking van de cliënt op 8 oktober 2008 dat een nog defensievere beleggingskeuze beter was geweest. Volgens de commissie zou aannemelijk zijn geweest dat, indien de vermogensbeheerder informatie had ingewonnen, de portefeuille anders zou zijn ingericht. Het merendeel van de vastrentende waarden zou dan in reguliere bedrijfsobligaties zijn belegd en wezenlijk minder in perpetuals en floaters. De commissie stelde vervolgens op basis van een vermogensvergelijking de schade vast op € 113.000. De vermogensbeheerder moest, na aftrek van eigen schuld van 30% van de cliënt, een vergoeding van € 80.000 aan haar voormalige cliënt betalen.
 

Mijn mening over de uitspraak

De motivering van de geschillencommissie overtuigt mij niet ten volle. De vraag is of de wezenlijke wijziging van het beheer op basis van de telefoongesprekken zo duidelijk was en of dit een redelijk handelend en vakbekwaam vermogensbeheerder duidelijk had moeten zijn. Daarbij is het risicoprofiel verlaagd, waarbij aandelen over het algemeen als risicovoller kunnen worden beschouwd dan perpetuals en floaters. Van de omstandigheid dat het vastrentende deel voor een aanzienlijk deel uit perpetuals en floaters bestond en dus bepaalde risico’s met zich bracht, zou ook gezegd kunnen worden dat dit noodzakelijk was om het beoogde rendement te behalen. Verder komt in de uitspraak niet aan de orde dat de beleggingsdoelstelling, het genereren van inkomen, gewijzigd zou zijn. De aansprakelijkheid van de vermogensbeheerder in deze zaak is wellicht eerder veroorzaakt door de geselecteerde vastrentende waarden van de portefeuille vóór de wijziging.
 

Tip!

Deze zaak laat zien hoe belangrijk het is om signalen van de cliënt op te vangen en door te vragen naar de reden en achtergrond. Ook bij een telefonisch onderhoud is voorzichtigheid geboden. Bij twijfel over veranderende wensen en of omstandigheden is het aan te raden de cliënt te verzoeken om een nieuw cliëntprofiel in te vullen, zodat daarover geen onduidelijkheid kan bestaan. Om vervolgens te beoordelen of de beoogde portefeuille nog past bij de situatie.
 

1 Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, nr. 2015-033 d.d. 30 januari 2015.


Jaap Penders is eigenaar van Penders Advocatuur (www.pendersadvocatuur.nl). Deze column is geschreven op persoonlijke titel. De column heeft een educatief doel. De daarin verstrekte informatie kan niet worden beschouwd als een juridisch advies in welke vorm dan ook. Hoewel de informatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, wordt geen garantie gegeven voor de juistheid en volledigheid van de informatie. Columnist heeft geen zeggenschap over de website van BeursEffecten. Columnist is niet aansprakelijk voor welke schade dan ook, direct of indirect, die op enige wijze ontstaat door en/of voortvloeit uit het gebruik van de column en (de informatie op) voornoemde website.


Ook interessant: