Rob de Haas versus Jeffrey Schumacher

Jeffrey SchumacherRob de Haas

 

Rob de Haas (SNS Securities) interviewt Jeffrey Schumacher (Morningstar)

 

 

1. Hoeveel jaar zit je nu in het vak en wat was je beweegreden om de beleggingen in te gaan?

In maart 2008 ben ik mijn professionele carrière gestart bij Theodoor Gilissen Bankiers als aandelenanalist voor de grondstoffensector. Een turbulentere start had ik mij wat dat betreft niet kunnen wensen. Een leerzame periode waarin het begrip “bloed door de straten” zowat iedere dag een nieuwe dimensie kreeg. Vervolgens ben ik via SNS Securities, waar ik werkte op de afdeling voor zelfstandige vermogensbeheerders, overgestapt naar Morningstar waar ik nu vier jaar werkzaam ben als beleggingsfondsanalist.

Deze baan maakt voor mij de cirkel weer rond, want mijn eerste stappen in de beleggingswereld heb ik op mijn dertiende gezet toen ik aandeelhouder werd in het Robeco Young Dynamic Fund. Vandaag de dag houd ik mij dus bezig met het analyseren van dergelijke beleggingsfondsen, om zo die fondsen te selecteren die naar de maatstaven van Morningstar interessant zijn voor beleggers.
 

2. Hoe zie jij de komende jaren de ontwikkeling tussen actief en passief beleggen?

Wanneer we de ontwikkelingen in Amerika mogen doortrekken naar Europa, dan staan we aan de vooravond van een grotere verschuiving van actief beheer naar passief beheer (indexfondsen en ETF's). Hoewel actief beheer zowel in Amerika als in Europa qua assets nog steeds leidend is, geeft de ontwikkeling in netto-instroom een duidelijk signaal af. Zo stroomde in 2014 in Amerika 99% van de netto-instroom voor aandelen- en obligatiefondsen naar passieve beleggingen. Die instroom voor passief in 2014 bedroeg US$ 467 miljard, wat gelijk staat aan de totale instroom voor actief beheer over de periode 2010 – 2014. Passief stoomt in Amerika dus stevig op. Zover zijn we in Europa nog niet, maar ook hier zien we duidelijk dat passief momentum heeft.

De tegenvallende resultaten van actief beheer, in combinatie met een groeiend aanbod passieve fondsen, zet de actieve fondsindustrie onder druk om haar toegevoegde waarde te laten zien. Ik geloof dat actief beheer toekomst heeft, maar het zal naar mijn verwachting makkelijker zijn om de toegevoegde waarde te tonen via strategieën die zich richten op de minder efficiënte en illiquide segmenten van de markt.

Daarnaast verwacht ik op termijn een verdere rationalisatie onder het fondsaanbod. Nu passief beleggen zich heeft ontwikkeld tot een serieus alternatief voor beleggers, is het voor actieve fondsen tijd om kleur te bekennen. Dat betekent dat fondsen die zichzelf als actief verkopen (en bijbehorende kosten rekenen) ook daadwerkelijk actief moeten beleggen en zich niet kunnen verschuilen achter de index. Het vergroten van de mate van actief beheer hoeft niet te leiden tot betere prestaties, maar de fondsen die geen waarde toevoegen zullen verdwijnen, waarmee de uiteindelijke kwaliteit van actief beheer zal verbeteren.
 

3. Hoe vind je dat de risico / rendementsverhouding wordt belicht bij passief beleggen?

Ik vind dat risico een onderbelicht aspect is bij beleggen. Beleggers hebben de neiging om zich blind te staren op wat er onder de streep overblijft aan rendement, maar het risico waarmee dat rendement is behaald is minstens zo belangrijk. Daarbij komt dat beleggers het begrip risico vaak een-op-een vergelijken met de mate van koersschommelingen (volatiliteit, berekend via de standaarddeviatie van rendementen). Risico is echter multidimensionaal, waarvan de volatiliteit slechts een component is.

Een voorbeeld van een risicofactor die niet in de volatiliteit tot uiting komt, is wanneer een ETF die fysieke replicatie toepast (de effecten uit de onderliggende index zijn ook daadwerkelijk in bezit), de effecten uitleent om zo extra rendement te genereren (securities lending). Dit extra rendement komt wel met een extra risicofactor in de vorm van tegenpartijrisico.

Verder moeten beleggers er zich van bewust zijn dat er een risico bestaat dat het rendement van een ETF lager is dan het indexrendement minus de lopende kosten van het product. Er zijn namelijk meerdere factoren die de grootte van dit verschil bepalen. Replicatiemethodes, verschillen in belastingregimes, herinvesteringsaannames en de timing van dividenduitkeringen zijn allemaal (risico)factoren die dit rendementsverschil beïnvloeden.
 

4. Hoe ziet je werkdag eruit en waar haal je de meeste voldoening uit?

Veel lezen en het uitspitten van onze fondsendatabase om de fondsen die wij als analisten beoordelen door te lichten. Wat is er veranderd, hoe past dat in de strategie en wat heeft dat met de portefeuille gedaan? Allemaal facetten die de revue passeren wanneer we ons voorbereiden op een meeting met een fondsbeheerder. Dan het (soms moeilijke, maar vaak interessante) gesprek met de fondsbeheerder, gevolgd door het opstellen van een notitie die op Europees niveau wordt verdedigd binnen onze analistenpool. Tot slot het schrijven van het rapport en publiceren van de rating.

De grootste uitdaging is om de onderste steen boven te krijgen. Maar ook om fondshuizen te bewegen om meer in het belang van de eindbelegger te handelen. In juli 2013 hebben we bijvoorbeeld samen met de VEB een onderzoek uitgevoerd naar de transparantie bij fondshuizen over de beheerteams. Wij vinden dat de beheerder een essentieel onderdeel is in de analyse van een beleggingsfonds, en dat een eindbelegger daarom het recht heeft om te weten wie zijn geld beheerd. Dat blijkt niet altijd vanzelfsprekend te zijn, maar na publicatie van onze bevindingen zijn er door sommige fondshuizen verbeteringen aangebracht. Dit laat zien dat je invloed hebt en hiermee voor de eindbelegger iets kunt betekenen. Dat geeft voldoening.
 

5. Welke informatie wil je graag nog aan de bezoekers van BeursEffecten meegeven?

Goede beleggingsfondsen selecteer je niet door de fondsen te rangschikken op historische rendementen of het aantal Morningstar sterren. Daar is de sterren-methodologie ook helemaal niet voor bedoeld. De Morningstar sterren worden toegekend op basis van historische rendementen, gecorrigeerd voor kosten en risico. Een waardering voor het verleden dus, maar zonder blik op de toekomst.

Het selecteren van een goed fonds vereist een zorgvuldige, diepgaande kwalitatieve analyse. Deze kwalitatieve analyse doen wij bij Morningstar op basis van vijf elementen: beleggingsteam, beleggingsproces, fondshuis, rendement & risico en kosten. Het oordeel op de afzonderlijke pilaren resulteert in een Morningstar Analyst Rating, waarmee de analisten hun convictie op het fonds voor de toekomst weergeven. Dit kan positief zijn (Gold, Silver, Bronze), Neutral of Negative. Deze kwalitatieve analyse geeft een veel beter beeld van de kwaliteit van een beleggingsfonds en het potentieel ervan, dan wanneer uitsluitend wordt uitgegaan van het aantal Morningstar sterren.
 

Volgende interview: Jeffrey Schumacher versus Walter Leering
Vorige interview: Peter van Galen versus Ben Labohm