Execution only dienstverlening: Let’s roll the dice and see what happens!

afbeelding van Jaap Penders

In mijn artikel ‘Zorgplicht bij beleggingsdienstverlening’ schreef ik over execution only dienstverlening. Over de zorgplicht van een financiële dienstverlener bij execution only dienstverlening is de jurisprudentie schaars. Dit komt omdat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor de op zijn initiatief gegeven effectenorders en de verplichting van de financiële dienstverlener voorafgaand en bij uitvoering van deze orders beperkt is. Onlangs verscheen een uitspraak van de Commissie van Beroep van het KiFiD over execution only dienstverlening1. Deze zal ik hieronder bespreken.

De cliënt had met beleggingen in gekochte2 opties in twee jaar EUR 1,6 miljoen verloren. Dit betrof met name opties op de AEX-index. Het merendeel van de belegde bedragen was afkomstig van vennootschappen van het familiebedrijf van cliënt. De cliënt wenste de geleden verliezen te verhalen op de bank en diende een klacht in bij het Klachten instituut Financiële Dienstverlening (‘KiFiD’).

De geschillencommissie had geoordeeld dat de bank geen inlichtingen had ingewonnen over de financiële positie van de cliënt en dat de bank de cliënt had moeten wijzen op zijn tegenstrijdige beantwoording van de vragenlijst voor het vaststellen van zijn (offensieve) risicoprofiel3. Daarmee had de bank haar zorgplicht geschonden. De geschillencommissie wees deze vordering wegens het gebrek aan causaal verband alsnog af. Ook indien de bank de inlichtingen over de financiële positie wel had ingewonnen zou de cliënt te kennen hebben gegeven offensief te willen beleggen, zo oordeelde de commissie. Daarnaast oordeelde de geschillencommissie dat de zorgplicht van de bank niet zo ver ging dat zij de herkomst van de gelden moest controleren, nu de cliënt had verklaard dat hij met zijn eigen vermogen belegde.

De cliënt klaagde in hoger beroep dat de bank haar zorgplicht had geschonden, doordat de vragenlijst voor vaststelling van het risicoprofiel ontoereikend was. Verschillende omstandigheden hadden voor de bank reden moeten zijn om nadere inlichtingen in te winnen en hem te waarschuwen voor de frequentie en de omvang van zijn transacties. Daarbij stelde de cliënt dat in de periode dat hij belegde zich een gokverslaving manifesteerde en daarvoor in behandeling was geweest.

De bank verweerde zich door te stellen dat sprake was van execution only dienstverlening. In dat kader had zij een cliëntprofiel opgemaakt. Daarbij had de bank een offensief risicoprofiel vastgesteld en aangeven dat zij de effectenorders bij acceptatie niet toetste aan het risicoprofiel. Bij de vragenlijst voor het vaststellen van het cliëntprofiel had zij de vraag gesteld: “Welk geld gebruikt u voor uw investeringen?” waarop de cliënt had geantwoord: “vrij vermogen”. Verder had de bank de cliënt in de cliëntovereenkomst op de risico’s van opties gewezen.

De Commissie van Beroep oordeelde dat de bank op basis van de in 2005 geldende ken-uw-cliënt regel zoals uitgewerkt in artikel 28 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 2002 slechts gehouden was om een eenvoudig cliëntprofiel op te maken, waar de beleggingsdoelstelling, risicobereidheid en financiële positie van de cliënt waren vastgelegd. Bij het onderzoek naar de financiële positie mocht de bank zich beperken tot het zich ervan vergewissen of de cliënt over voldoende middelen beschikte om de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen na te komen. De cliënt had in de vragenlijst aangegeven dat hij met eigen vermogen belegde.

Wel had de bank volgens de Commissie van Beroep de tegenstrijdigheid in antwoorden aan de cliënt voor moeten houden, zodat deze zich kon uitlaten over zijn risicobereidheid. Echter, de bank had aangegeven dat de cliënt zich ook aan enige waarschuwing niet zou hebben gestoord. De cliënt kon de Commissie niet van het tegendeel overtuigen, waardoor het causaal verband tussen het handelen van de bank en de geleden schade andermaal ontbrak. Ook de Commissie wees daarop de vorderingen van de cliënt af.

Ik ga nog kort in op de huidige verplichtingen van een bank bij execution only dienstverlening, aangezien de effectenregelgeving met de komst van de Wet op het financieel toezicht (‘Wft’) in 2007 is gewijzigd.

De bank kan bij execution only dienstverlening volstaan met het voorafgaand verstrekken van (gestandaardiseerde) informatie over financiële instrumenten (zoals opties) en de risico’s daarvan (art. 4:20 Wft). Zij behoeft alleen de informatie te verstrekken die redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling voor die dienst (i.c. de uitvoering van de optieorder). Naast de informatieverstrekking bestaat op basis van art. 4:24 Wft informatie de plicht voor de bank om informatie in te winnen over de kennis en ervaring van de cliënt met betrekking tot de aangeboden beleggingsdienst, zodat de bank kan beoordelen of deze dienst passend is voor de cliënt. Deze beoordeling hoeft niet voor iedere transactie, maar alleen voor de aanvang van de dienstverlening. Indien de cliënt geen of onvoldoende informatie verschaft over zijn kennis en ervaring dan waarschuwt de bank zijn cliënt dat zij niet in staat is om aan te gaan of de beleggingsdienst voor hem passend is. Bij execution only dienstverlening is de belegger gedurende de dienstverlening dus zelf verantwoordelijk of hij de risico’s van de transacties doorziet en of dit wel passend voor hem is. Let’s roll the dice and see what’s happens.

1 Uitspraak Commissie van Beroep d.d. 24 juni 2013 (2013-21).
2 Opties kunnen worden gekocht of verkocht. Bij het verkopen van opties, het zogenaamd schrijven, aanvaardt de verkoper de verplichting om aandelen of een andere onderliggende waarde tegen een vooraf bepaalde prijs (de strike price) te kopen of te verkopen. De koper van een optie betaalt voor het recht om aandelen te kopen of te verkopen een premie aan de verkoper. Hoewel de betaalde premie en daarmee de hele inleg verloren kan gaan, zal, bij het kopen van opties, nooit meer dan de betaalde premie verloren kunnen gaan. (Red.:Zie voor meer informatie ook het gedeelte over opties op BeursEffecten.)
3 De cliënt had aangegeven dat hij agressieve vermogensgroei als beleggingsdoel had, een hoog rendement nastreefde en bereid was daarvoor een hoog risico te lopen. Echter, anderzijds had hij geantwoord dat het geïnvesteerd vermogen in een jaar maar maximaal 15% mocht dalen.


Jaap Penders is eigenaar van Penders Advocatuur (www.pendersadvocatuur.nl). Deze column is geschreven op persoonlijke titel. De column heeft een educatief doel. De daarin verstrekte informatie kan niet worden beschouwd als een juridisch advies in welke vorm dan ook. Hoewel de informatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, wordt geen garantie gegeven voor de juistheid en volledigheid van de informatie. Columnist heeft geen zeggenschap over de website van BeursEffecten. Columnist is niet aansprakelijk voor welke schade dan ook, direct of indirect, die op enige wijze ontstaat door en/of voortvloeit uit het gebruik van de column en (de informatie op) voornoemde website.


Ook interessant: