DNB betaalt niet mee voor schade DSB

afbeelding van Jaap Penders

In oktober 2009 werd DSB Bank (‘DSB’) failliet verklaard. Het faillissement van DSB leidde er toe dat de vorderingen van schuldeisers, spaarders en houders van termijndeposito’s slechts voor een deel (terug) konden worden betaald. Deze partijen, vertegenwoordigd door de curatoren van DSB en Stichtingen (de ‘Eisers’), hebben daarop De Nederlandsche Bank (‘DNB’) aansprakelijk gesteld voor de schade door het faillissement van DSB.

De Eisers verwijten DNB onrechtmatig te hebben gehandeld door een vergunning te verlenen, althans door aan de vergunning geen beperkende voorwaarden te verbinden. Daarnaast zou DNB tekort zijn geschoten in haar toezicht op DSB. De toezichtinstrumenten die DNB zou hebben ingezet, zoals gesprekken en brieven, zouden ontoereikend zijn geweest.
 

Beoordelingscriterium voor aansprakelijkheid toezichthouder

De rechtbank Amsterdam heeft in haar uitspraak van 29 april 2015 de aansprakelijkheid van DNB afgewezen. De rechtbank oordeelde dat DNB alleen aansprakelijk is, indien DNB niet in redelijkheid tot de door haar gemaakte keuzes kon komen.1
 

Geen grond voor aansprakelijkheid DNB

In december 2005 verleende DNB een bankvergunning aan DSB Bank. DSB voldeed aan alle voorwaarden en haar voorloper beschikte in het jaar 2000 reeds over een bankvergunning. De Eisers hebben niet bewezen dat de vereiste deskundigheid en betrouwbaarheid van bestuurders ontbrak of dat DNB niet tot het oordeel had kunnen komen dat zij geen beperkingen aan de vergunning verbond.

DNB heeft voor het doorlopend toezicht aangegeven welke acties zij heeft verricht en hoe zij haar wettelijke toezichtinstrumenten heeft ingezet. De rechtbank oordeelde dat de Eisers niet hebben aangetoond dat DNB anders had moeten handelen dan zij heeft gedaan. Daarbij ziet het toezicht van DNB uitsluitend betrekking op prudentiële risico’s. DNB mag zich niet bemoeien met de commerciële keuzes van een bank, behalve wanneer die keuzes ernstige prudentiële risico’s mee brengen. De rechtbank stelde vast dat tot kort voor het faillissement er geen grote prudentiële risico’s waren en de klachten van klanten over schending van de zorgplicht beperkt waren. De Eisers hebben dan ook niet bewezen dat er ernstige problemen waren, die niet konden worden verholpen door de gehanteerde toezichtinstrumenten.

Voorts oordeelde de rechtbank dat de vermeende fouten van DNB niet in causaal verband staan met de ondergang van DSB. De Eisers hebben niet onderbouwd in hoeverre hun positie anders of beter zou zijn geweest, indien DNB eerder, meer of andere toezichtinstrumenten had ingezet. De Eisers hebben ook niet aangegeven wat DNB had moeten doen om de schade te voorkomen.
 

Het toezichthouder dilemma

De rechtbank gebruikt het juiste beoordelingscriterium voor de vaststelling of sprake is van aansprakelijkheid van een toezichthouder of niet. DNB heeft haar keuzes voldoende toegelicht en zij heeft een ruime beleidsvrijheid in het gebruik van toezichtinstrumenten. Daarbij bestaat een toezichthouder dilemma. Aan de ene kant loopt zij het risico aansprakelijk te worden gesteld door de onder toezicht gestelde en aan de andere kant door derden bij onbehoorlijk toezicht.
 

Wettelijke beperking aansprakelijkheid

Er zijn in de jurisprudentie slechts enkele gevallen bekend waarin een toezichthouder met succes aansprakelijk is gesteld.2 Daarbij is sinds enkele jaren de Wet aansprakelijkheidsbeperking DNB en AFM van kracht, waarin de aansprakelijkheid van DNB is beperkt.3 Zij is uitsluitend aansprakelijk, indien sprake is van opzettelijke onbehoorlijke taakvervulling of grove nalatigheid in het uitvoeren van haar toezichtstaak. Deze wet is niet van toepassing op dit ‘oude’ geval, maar dat zal DSB gedupeerden in haar claim tegen DNB niet verder helpen.
 

1De Hoge Raad heeft in haar arrest van 13 oktober 2006 enkele gezichtspunten gegeven voor de beoordeling of het toezicht zorgvuldig is: ECLI: NL:HR:2006:AW2080 (Vie D’or).
2Zie een recente bestuursrechtelijke uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven van 10 september 2013: ECLI:NL:CBB:2013:104 en het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 december 2014, ECLI: NL: RBROT: 2014: 10036.
3Zie artikel 1:25c Wet op het financieel toezicht.


Jaap Penders is eigenaar van Penders Advocatuur (www.pendersadvocatuur.nl). Deze column is geschreven op persoonlijke titel. De column heeft een educatief doel. De daarin verstrekte informatie kan niet worden beschouwd als een juridisch advies in welke vorm dan ook. Hoewel de informatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, wordt geen garantie gegeven voor de juistheid en volledigheid van de informatie. Columnist heeft geen zeggenschap over de website van BeursEffecten. Columnist is niet aansprakelijk voor welke schade dan ook, direct of indirect, die op enige wijze ontstaat door en/of voortvloeit uit het gebruik van de column en (de informatie op) voornoemde website.


Ook interessant: