Beurshypotheek en overwaardehypotheek

afbeelding van Jaap Penders

Eind jaren negentig was beleggen, al dan niet in combinatie met een hypothecair krediet, populair. Ik bespreek twee uitspraken over beleggen en een hypothecair krediet, waarbij klanten de bank verwijten dat sprake is van overkreditering. Van overkreditering is sprake indien de bank een particuliere klant een onverantwoord krediet verstrekt. Of sprake is van een onverantwoord krediet hangt af van de gehanteerde norm en de financiële omstandigheden van de klant.

De vraag is of Van Lanschot, als kredietverstrekker van een beurshypotheek, respectievelijk de Rabobank, als kredietverstrekker van een overwaardehypotheek, haar zorgplicht heeft geschonden door klanten een onverantwoord krediet te verstrekken. Ik bespreek eerst het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake Van Lanschot1 en vervolgens het arrest van Hof Arnhem-Leeuwarden inzake Rabobank.2
 

De beurshypotheek casus in het kort

Een klant had een vermogen van ruim 1,2 miljoen gulden uit een erfenis. In het jaar 2000 had hij een woning voor 1,8 miljoen gulden gekocht. Daarbij wenste hij nog voor 150.000 gulden te verbouwen. Voor de financiering van de woning wendde hij zich tot Van Lanschot, die daarop de klant de volgende keuze gaf. De klant kon een hypothecaire lening van 2 miljoen gulden sluiten en zijn eigen vermogen op de beurs beleggen óf een hypothecaire lening van 1 miljoen gulden sluiten en zijn eigen vermogen inbrengen.

De klant koos er voor om zijn eigen geld niet aan te wenden voor de financiering van zijn woning, maar om daarmee te beleggen. Daarbij was het de bedoeling dat de periodieke hypotheeklasten deels zouden worden voldaan uit het rendement van de belegging. Hij koos hierbij voor beleggingsadvies, waar hij zelf de beleggingsbeslissingen zou nemen met advies van de bank. In 2003 verstrekte Van Lanschot een extra hypothecaire financiering van 145.000 euro voor de verbouwing van de woning.
 

Overkreditering?

De klant klaagt dat Van Lanschot de hypothecaire lening niet had mogen verstrekken. De hypothecaire lening van 2 miljoen gulden was niet passend in relatie tot zijn bruto jaarinkomen. De Nibud norm zou een verstrekking van een krediet van slechts vier en half keer het bruto jaarinkomen toestaan. Van Lanschot betwist de overkreditering. Zij stelt dat een hypotheekverstrekker rekening mag houden met het te beleggen vermogen en dat de financieringslasten van de woning niet alleen uit het inkomen moest worden voldaan, maar ook uit het rendement op de beleggingen uit eigen vermogen. Volgens Van Lanschot was het effectendepot van de klant door koersverliezen en onttrekkingen door een hoog uitgaven patroon gedaald. Daarmee had zij ten tijde van de financiering geen rekening mee hoeven te houden.
 

Oordeel rechtbank overkreditering

De rechtbank oordeelt dat bij het verstrekken van krediet het tot de kredietcrisis algemeen aanvaard was om het aanwezige vermogen en inkomen uit vermogen in de beoordeling van de draagkracht van de kredietnemer te betrekken. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of Van Lanschot heeft gehandeld als een verantwoord kredietverlener.

Volgens Van Lanschot moet worden aangesloten bij een vuistregel die in de effectenlease jurisprudentie van 1 december 2009 door het Hof Amsterdam is ontwikkeld. Daarmee kan volgens Van Lanschot ook in dit geval worden bepaald of er sprake is van een onaanvaardbare last. Van Lanschot stelt dat het resultaat van de vuistregel is dat de klant niet had hoeven in te teren op zijn vermogen en dat de kredietverstrekking dus verantwoord was. Van Lanschot is uitgegaan van een rekenrendement van 4,2% per jaar op beleggingen, terwijl de AFM in die tijd uitging van 8%.

De rechtbank oordeelt dat in het jaar 2000 geen concrete wettelijke normen golden ten aanzien van een toegestane maximum financiering. De financieringspercentages van het Nibud gelden alleen voor eenvoudige financieringen. Het beroep van de klant om de later ontwikkelde Nibud norm als maatstaf te nemen slaagt niet. De rechtbank neemt wel de vuistregel als norm en de berekeningen daarbij van Van Lanschot over. De slotsom is dat Van Lanschot haar zorgplicht niet heeft geschonden.
 

Tussenconclusie

Het is bijzonder dat de rechtbank voor de beoordeling of sprake is van overkreditering uitgaat van de vuistregel die is ontwikkeld bij effectenlease. Deze norm is ontwikkeld voor een specifiek product, maar blijkt dus daar buiten ook toepasbaar te zijn.3
 

De overwaardehypotheek

Deze uitspraak betrof van 1997 tot en met 2003 geadviseerde financieringsconstructies, waarbij een particuliere klant de latente overwaarde op zijn eigen woning gebruikt om te beleggen. Wagner & Partners had haar klanten deze constructie geadviseerd en onder meer de Rabobank had aan deze klanten nieuwe hypothecaire geldleningen verstrekt.4 Wagner & Partners ging bij haar advies uit van een rendement van de beleggingen van 8% per jaar. Door tegenvallende beleggingsresultaten waren de hypotheeklasten echter meer dan de woonnorm van 33% van het inkomen.
 

Onderzoeksplicht en overkreditering

De klanten verweten Rabobank dat zij had nagelaten adequaat onderzoek te doen naar hun inkomens- en vermogenspositie met het oog op het voorkomen van een wanverhouding tussen lasten en inkomsten. Er zou sprake zijn van overkreditering.

De Rabobank stelde dat zij onderzoek had gedaan naar de draagkracht van betrokkenen en er geen sprake was van overkreditering. Zij beschikte over loonstroken, werkgeversverklaringen, BKR toetsen en waardebepalingen van de te verhypothekeren woningen. De Rabobank geeft aan dat zij bij de beoordeling van de draagkracht rekening mocht houden met de opbrengsten van beleggingen. Daarbij was een rekenrendement van 8% niet ongewoon.
 

Oordeel Hof

Het Hof oordeelt dat een kredietverstrekker een zelfstandige verplichting heeft om voordat zij tot verstrekking van een hypothecaire lening overgaat te onderzoeken of een consument de financiële lasten verbonden aan de hypothecaire lening kan dragen, zodat overkreditering wordt voorkomen.

Het Hof stelt vast dat de Rabobank bij de beoordeling tot kredietverstrekking, zonder onderzoek, uit is gegaan van de het door Wagner & Partners verwachte rendement op beleggingen van 8% per jaar.

Uit de door Rabobank overgelegde gegevens volgt dat geen van de klanten een zodanig inkomen had dat een lager rendement niet tot een forse verzwaring van de maandlasten zou leiden. De Rabobank heeft niet geverifieerd of een verzwaring van de maandelijkse hypotheeklasten niet tot bezwaren zou leiden, bijvoorbeeld omdat een klant over eigen vermogen beschikte. Dit ondanks het feit dat de Rabobank bekend was dat de klant zijn maandelijkse financieringslasten niet volledig kon voldoen uit zijn inkomen en dat de klanten hiervoor dus afhankelijk waren van de opbrengsten van de belegging.

De Rabobank heeft nagelaten om bij de verstrekking van de hypothecaire financiering individueel te toetsen of bij een afwijkend rendementspercentage van 8% de maandelijkse lasten nog wel konden worden gedragen, dan wel of de klant bereid was het risico te lopen dat het beoogd rendement over de looptijd van 30 jaar niet werd gehaald en dus op andere wijze besparingen moesten plaatsvinden om de maandelijkse financieringslast te kunnen blijven dragen.

Het Hof oordeelt verder dat ook het bestedingsdoel van de hypothecaire lening een rol speelt bij de vraag of er sprake is van verantwoorde kredietverstrekking. Het doel speelt een rol, omdat de betaalbaarheid van de hypothecaire lening is verbonden aan het rendement op de beleggingen. Uit de omstandigheden van de klanten blijkt dat – ten tijde van de kredietverstrekking – geen van de klanten de financieringslasten uit zijn inkomen kon betalen. Het Hof oordeelt dat op dat moment voor Rabobank duidelijk was of had moeten zijn dat de financiële lasten voor de betrokkene niet betaalbaar waren. Dit volgt alleen al uit de normale jaarlijkse fluctuaties van rendementen van de aandelenmixfondsen en de depotconstructie, waardoor na het doen van onttrekkingen ten behoeve van de hypotheeklasten nog hogere rendementen nodig waren. Een deel van de rendementen moesten worden besteed aan de forse premie van een kapitaalverzekering. Het Hof oordeelt dat de Rabobank haar zorgplicht heeft geschonden.
 

Tussenconclusie

Ter voorkoming van overkreditering dient een kredietverstrekker onderzoek te doen naar het inkomen en vermogen. Het inkomen en vermogen is van belang om te bezien of de klant de financiële (hypothecaire) last kan dragen. In het geval van beleggingen in combinatie met een (hypothecair) krediet kan niet zonder meer van een hoog verwacht rendement worden uitgegaan, maar moet het realiteitsgehalte daarvan toetsen. Daarbij is het raadzaam om van te voren na te gaan of de klant ook met een lager rendement zijn lasten kan dragen en welk effect een lager rendement voor hem heeft. Ook het bestedingsdoel speelt, ook als de kredietverstrekker niet als adviseur optreedt, een rol.
 

Eindconclusie

Het verschil tussen de eerste en tweede uitspraak is dat de klant in de Van Lanschot zaak de klant ook zonder een hoog beleggingsrendement, door het beschikken over vermogen, in zijn hypotheeklasten kon voorzien. In de Rabobank zaak stond feitelijk vast dat de klant de financieringslasten reeds bij aanvang niet alleen uit zijn inkomen kon voldoen en het Rabobank onbekend was of de klant vermogen had om de lasten te kunnen voldoen. Daarbij kan een hypotheekverstrekker niet klakkeloos uitgaan van een door een financieel adviseur voorgespiegeld rendement.
 

1  Rechtbank Oost-Brabant 10 februari 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:535.
2  Hof Arnhem-Leeuwarden 29 december 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:9921, Stichting Gedupeerde Overwaarde W&P/Rabobank.
3  Hof ’s-Hertogenbosch d.d. 23 december 2014, ECLI:NL:GSHE 2014:5489 inzake Stichting Gedupeerde Overwaarde W&P/Van Lanschot waarbij ook deze norm wordt toegepast.
4  Naast de Rabobank zijn ook andere banken aansprakelijk gehouden, zie noot 2 en Hof Amsterdam d.d. 30 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:2700 (Stichting Gedupeerde Overwaarde W&P/ABN Amro).


Jaap Penders is eigenaar van Penders Advocatuur (www.pendersadvocatuur.nl). Deze column is geschreven op persoonlijke titel. De column heeft een educatief doel. De daarin verstrekte informatie kan niet worden beschouwd als een juridisch advies in welke vorm dan ook. Hoewel de informatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, wordt geen garantie gegeven voor de juistheid en volledigheid van de informatie. Columnist heeft geen zeggenschap over de website van BeursEffecten. Columnist is niet aansprakelijk voor welke schade dan ook, direct of indirect, die op enige wijze ontstaat door en/of voortvloeit uit het gebruik van de column en (de informatie op) voornoemde website.


Ook interessant: