De achterkant van het rendement

afbeelding van Jeroen Brenninkmeijer

We kunnen rustig spreken van een stormachtig begin op de Amsterdamse beurs. Niet alleen SNS, maar ook Imtech en KPN lieten zien dat er weinig zekerheden zijn voor beleggers.

De centrale vraag is hoe zwaar de beleggers worden geraakt voor het risico dat ze nemen. In het algemeen laten beleggers zich vooral leiden door het potentiële rendement en proberen vervolgens zelf een afweging te maken van het risico dat ze daarmee kunnen lopen. De keerzijde van het rendement is het risico, deze zijn in theorie onlosmakelijk met elkaar verbonden. Nu is deze wetmatigheid verstoord. Daarvan twee bewijzen.

Allereerst de onteigening van de aandeelhouders en houders van achtergestelde obligatieleningen van SNS. Dit levert een interessante casus op. Want de overheid maakt nu een keuze om de rekening bij een bepaalde groep beleggers te leggen en een andere groep vrijwel geheel te ontzien. Nood breekt wet, het gezegde in de praktijk door de “interventiewet”. Normaliter kan je als belegger vertrouwen op een vaste afspraak waarin het risico van een belegging is te categoriseren.

Als een bedrijf failliet gaat, treedt er een trapsgewijze toewijzing naar de schuldeisers in werking. Op Wikipedia staat dit helemaal uitgelegd. De verhandelbare effecten vallen onder diezelfde rangorde volgens het principe van pari passu (gelijke monniken gelijke kappen). Heel algemeen is de volgorde: preferente schuldhouders, senior obligaties, achtergestelde obligaties en als laatste aandeelhouders. Die laatste twee groepen betalen nu de rekening om de spaarders, polishouders en senior obligatiehouders te redden. Want was SNS failliet gegaan, dan waren juist de spaarders en de houders van levensverzekeringspolissen bij Reaal en Zwitserleven vrijwel al hun (pensioen) geld kwijt. Bovendien hadden de andere Nederlandse banken dan fors moeten betalen voor het depositogarantiestelsel dat de eerste €100.000 aan spaargeld per persoon garandeert.

Terug naar de vraag of je als belegger op dit moment de juiste vergoeding krijgt voor het genomen risico.

Het volgende bewijs van anomalie zien we in de lage effectieve rendementen op bijvoorbeeld Nederlandse staatsleningen. Op dit moment rendeert de 10 jarige Nederlandse Staat maar 1,82% en dat is geen recht evenredige vertaling van eveneens laag risico. Als de rente met 1% stijgt, kan dit een koersverlies opleveren van meer dan 8%. Bovendien is de inflatie inmiddels ruim boven de 2,5% gestegen, dus lever je netto koopkracht in door dit lage rendement. Niet voor niets is de verhouding tussen het gemiddelde dividendrendement op aandelen en het rendement op Staatsleningen in de afgelopen periode op een historisch punt gekomen.

Normale veronderstellingen over risico en rendement zijn op sommige punten verstoord, (bijna) zekerheden blijken soms niet te bestaan. Het antwoord of je risico en je rendement in een juiste verhouding staan, is de heilige graal waar de beleggingsadviseur of vermogensbeheerder aantoonbaar zijn echte toegevoegde waarde levert. Gouden bergen beloven kan iedereen, maar aantonen wat het kost als je ongelijk hebt, dat is de basis van elk goed beleggingsadvies.


Jeroen Brenninkmeijer is partner en vermogensbegeleider bij MJR Advies (www.mjradvies.nl). Deze column is geschreven op persoonlijke titel. Deze column is bedoeld als achtergrondinformatie over de ontwikkelingen op de financiële markten en de regelgeving. Deze column is niet bedoeld als beleggingsadvies en is geen aanbieding of uitnodiging tot koop of verkoop van enig financieel instrument. MJR Advies houdt zich niet bezig met het aanbevelen van beleggingen of beleggingsproducten en heeft bedrijfsmatig geen beleggingsposities. Eventueel vermelde financiële instrumenten dienen puur als voorbeeld en zijn nooit bedoeld als aanbeveling. Raadpleeg meer bronnen en neem zelf uw beslissingen. MJR Advies is niet vergunningplichtig en biedt onafhankelijke financiële ontzorging voor ondernemers en vrije beroepsbeoefenaren.


Ook interessant: