Bank aansprakelijk voor niet ingrijpen bij fraude door klant?

afbeelding van Jaap Penders

Kent u de piramidefraude van tennissponsor R. van de Berg nog? Het Hilversumse filiaal van de bank waar Van den Berg zijn particuliere bankrekeningen aanhield wel.

In mijn artikel van 8 juli 2013 heb ik de zorgplicht van een bank tegenover derden besproken.1 Daarin is deze zaak kort aan de orde gekomen. Naar aanleiding van een tussenarrest van het Hof Den Haag zal ik nader op deze zaak ingaan.2
 

Wat was er ook al weer gebeurd?

Van den Berg ontving in de jaren 2002 tot en met maart 2005 grote bedragen van in totaal €67 miljoen op twee particuliere bankrekeningen. Deze bijschrijvingen gingen soms vergezeld met omschrijvingen als ‘inleg’, ‘lening’, ‘schuldbekentenis’, ‘belegging’ en ‘warrant’. Daarnaast ontving Van den Berg contante bedragen. Van den Berg heeft van deze bankrekeningen €77 miljoen naar andere bankrekeningen overgemaakt. Deze afschrijvingen vonden plaats door telefonische overboekingen na telefonisch contact met medewerkers van de bank en na handmatige verwerking van handgeschreven overschrijvingsformulieren.

De gelden waren afkomstig van derden. Zij hadden de gelden ter beschikking gesteld aan Van den Berg om te beleggen. Daarbij had Van den Berg hen hoge rendementen voorgespiegeld. Uiteindelijk bleek dit een piramidespel te zijn. De inleg werd niet belegd, maar de inleg werd van de ene aan de andere belegger betaald. Het ingelegde geld van beleggers was grotendeels verdwenen.

In 2007 is de Stichting Belangenbehartiging Gedupeerde Beleggers Van den Berg (hierna: de Stichting) opgericht. Zij heeft de bank aansprakelijk gehouden voor de door beleggers geleden schade. De Stichting verwijt de bank dat deze op grond van haar maatschappelijke zorgplicht, gelet op de zeer ongebruikelijke aard en omvang van de betalingen via de bankrekeningen, eerder had moeten ingrijpen. De beleggers zouden door het niet tijdig ingrijpen van de bank schade hebben geleden.
 

Oordeel rechtbank

De rechtbank had onder meer geoordeeld dat de bank onrechtmatig had gehandeld en dat dit de bank was toe te rekenen. Het betalingsverkeer was in hoge mate ongebruikelijk. De bank was daarvan door haar baliemedewerkers, die telefonische betalingsopdrachten of overschrijvingsformulieren van Van den Berg uitvoerden, op de hoogte. De kennis van deze medewerkers had aanleiding moeten geven het betalingsverkeer op de betaalrekeningen te onderzoeken. De bank zou dan tot het besef moeten zijn gekomen dat de transacties verdacht waren of in elk geval dat Van den Berg beleggingsactiviteiten ontplooide die vergunningplichtig waren, zonder dat Van den Berg over de vereiste vergunning beschikte.
 

De procedure in hoger beroep

De bank verweerde zich in hoger beroep door te stellen dat zij niet bekend was met de fraude. De betalingen liepen geautomatiseerd. Zij had daarom geen inzicht van de omschrijvingen bij de bijschrijving. Ook zouden haar baliemedewerkers geen wetenschap van de fraude hebben gehad, omdat zij alleen de juistheid van de handtekening en toereikendheid van het saldo controleerden bij de uitvoering van de telefonische of handgeschreven betalingsopdrachten. Daarbij kon volgens de bank de wetenschap van haar baliemedewerkers van overschrijvingen naar derden niet aan haar worden toegerekend, omdat het niet tot hun takenpakket behoorde om zich te verdiepen in de achtergrond van de bij- en afschrijvingen.

Het Hof bevestigde dat de maatschappelijke functie van een bank een bijzondere zorgplicht meebrengt ten opzichte van derden met wiens belangen zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Tot de maatschappelijke functie van een bank behoort het faciliteren van giraal betalingsverkeer.

De bijzondere zorgplicht geldt ook indien de bank zich niet realiseerde, maar wel had behoren te realiseren dat Van den Berg mogelijk in strijd met de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (‘Wte’) handelde door zonder vergunning beleggingsactiviteiten te verrichten. De zorgplicht vergt dat de bank in dat geval onderzoek moet doen en afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek maatregelen moet nemen, aldus het Hof.

Het Hof nam aan de hand van de objectieve feiten en omstandigheden aan, dat de bank wist, althans moet hebben geweten dat op de bankrekeningen ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvond en dat met de gebruikmaking van die rekeningen beleggingsactiviteiten plaatsvonden. Het Hof nam verder aan dat het hoofdkantoor van de bank in maart 2003 op de hoogte was van de ongebruikelijke stortingen op een van de bankrekeningen, omdat het hoofdkantoor toen over de stortingen navraag had gedaan bij het Hilversumse bijkantoor. Daarbij nam het Hof ook aan dat de bank in maart 2003 beschikte over een systeem dat ongebruikelijke bijschrijvingen kon signaleren.
 

Reikwijdte zorgplicht

Tot welke derden strekt de zorgplicht? De rechtbank oordeelde dat de bank geen zorgplicht had tegenover derden die geen gelden op de bankrekening van Van der Berg hadden gestort, maar dit op andere wijze hadden betaald.

Het Hof kwam met een genuanceerder oordeel dat ik onderschrijf. Het Hof oordeelde dat de reikwijdte van de zorgplicht in beginsel beperkt was tot degene bij wie de benadeling via de bankrekeningen is gelopen. Op grond van specifieke omstandigheden kan de bijzondere zorgplicht van de bank zich ook uitstrekken tot derden die contant of via een rekening van Van den Berg bij een andere bank aan Van den Berg gelden ter beschikking hebben gesteld of uitgekeerd hebben gekregen. Van de ruimere reikwijdte kan sprake zijn indien de bank wist of behoorde te weten dat Van den Berg zich schuldig maakte aan fraude en dat de bank wist of behoorde te weten dat er ook buiten de bankrekeningen om mensen gedupeerd werden, aldus het Hof.
 

Samenvatting oordeel hof

Samengevat oordeelde het Hof dat op de bank een bijzondere zorgplicht rust dat zich uitstrekt tegenover derden van wiens belangen zij rekening behoort te houden. In beginsel is de zorgplicht beperkt tot derden die gebruik hebben gemaakt van de bankrekening die de bank aan haar klant ter beschikking heeft gesteld. Van een schending van een bijzondere zorgplicht kan sprake zijn, indien de bank wist of had moeten weten dat haar klant in strijd met de Wte handelde door zonder vergunning beleggingsactiviteiten te verrichten. Het Hof oordeelde gezien de feiten en omstandigheden van dit geval dat de bank op de hoogte had moeten zijn van de fraude van Van den Berg. Het Hof heeft daarbij de kennis van de baliemedewerkers van de bank toegerekend aan de bank.

De bank krijgt nog de gelegenheid om de aannames te ontkrachten dat zij moet hebben geweten dat op de bankrekeningen ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvond en dat met gebruikmaking van die rekening beleggingsactiviteiten plaatsvonden. In het kader van het subsidiaire verweer van de bank mag de bank ook tegenbewijs leveren van het tijdstip waarop de wetenschap ontstond.
 

Aansprakelijk?

Gezien de stellingen en de onderbouwing van de stellingen door de Stichting bestaat er naar mijn inschatting een grote kans dat de bank tegenover derden aansprakelijk is wegens het niet ingrijpen bij fraude door haar klant. Het definitieve antwoord is aan het Hof.
 

1Zie Zorgplicht bank tegenover derden.
2Zie Hof Den Haag, 18 maart 2014, ECLI: NL: GHDHA: 2014: 996.


Jaap Penders is eigenaar van Penders Advocatuur (www.pendersadvocatuur.nl). Deze column is geschreven op persoonlijke titel. De column heeft een educatief doel. De daarin verstrekte informatie kan niet worden beschouwd als een juridisch advies in welke vorm dan ook. Hoewel de informatie met de grootst mogelijke zorg is samengesteld, wordt geen garantie gegeven voor de juistheid en volledigheid van de informatie. Columnist heeft geen zeggenschap over de website van BeursEffecten. Columnist is niet aansprakelijk voor welke schade dan ook, direct of indirect, die op enige wijze ontstaat door en/of voortvloeit uit het gebruik van de column en (de informatie op) voornoemde website.


Ook interessant: